Op 1 september 2016 zal de ‘Wet bescherming erfgenamen tegen schulden’ in werking treden. Het doel van dit wetsvoorstel is om erfgenamen betere bescherming te bieden tegen schulden van de erflater. In de huidige erfrechtpraktijk zijn twee problemen gesignaleerd:
1. Een erfgenaam komt niet toe aan het nemen van een weloverwogen beslissing ten aanzien van het wel of niet aanvaarden van de nalatenschap, doordat hij door zijn gedragingen de nalatenschap al zuiver heeft aanvaard;
2. Een erfgenaam die weloverwogen heeft gekozen voor zuivere aanvaarding, wordt geconfronteerd met een onverwachte schuld van de overledene. Hij moet deze schuld uit zijn privévermogen voldoen als het nalatenschapssaldo hiertoe niet toereikend is.
Zuivere aanvaarding
Voor erfgenamen is niet altijd duidelijk welke handelingen leiden tot zuivere aanvaarding van een erfenis. Het komt bijvoorbeeld geregeld voor dat erfgenamen kort na een overlijden noodgedwongen handelingen moeten verrichten ten aanzien van de nalatenschap, zoals het moeten ontruimen van de woning van de erflater. Deze ontruiming van de woning wordt op grond van artikel 4:192 lid 1 BW in de rechtspraak aangemerkt als een handeling die zuivere aanvaarding van de nalatenschap tot gevolg heeft. Een erfgenaam die vóór de verplichte ontruiming van de woning nog geen keuze heeft uitgebracht, kan daarom nadien geen keuze meer maken. Hij heeft immers al zuiver aanvaard en daarmee zijn keuzerecht verspeeld. Een eenmaal gemaakte keuze is in beginsel onherroepelijk is.
Na inwerkintreding van de nieuwe wet geldt dat alle gedragingen die niet leiden tot het onttrekken van goederen aan het verhaal van schuldeisers geen handelingen zijn die zuivere aanvaarding tot gevolg hebben. Een erfgenaam kan in dat geval nog steeds besluiten om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Als voorbeeld kan worden genoemd het geval dat een erfgenaam het familiefotoalbum meeneemt uit het huis van de erflater. Hij onttrekt daarmee geen zaak aan het verhaal van schuldeisers. Het fotoalbum heeft louter emotionele waarde en betreft dus geen verhaalsobject, zodat het meenemen ervan geen handeling is die tot zuivere aanvaarding leidt. In het voornoemde voorbeeld van de ontruiming van de woning van erflater, kan de erfgenaam voorkomen dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardt door na de ontruiming de inboedel tijdelijk op te laten slaan en deze beschikbaar te houden voor schuldeisers. Als de inboedel geen waarde heeft, dan kan de erfgenaam de inboedel ook meegeven aan bijvoorbeeld de kringloop. Met het weggeven van waardeloze goederen onttrekt de erfgenaam evenmin goederen van de nalatenschap aan het verhaal van schuldeisers. Van goed beheer is overigens geen sprake als een erfgenaam kostbaarheden uit de nalatenschap meeneemt om deze enkel voor hemzelf veilig te stellen.
Onverwachte schulden
In de wet wordt ook een uitzonderingsclausule geïntroduceerd. Met het voorgestelde artikel 4:194a BW wordt een oplossing geboden voor het probleem dat een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, wordt geconfronteerd met een onverwachte schuld van de erflater en deze uit eigen vermogen moet betalen omdat het nalatenschapssaldo ontoereikend is voor de voldoening van deze schuld. De voorgestelde uitzonderingsclausule biedt alleen bescherming tegen onverwachte schulden en niet tegen schulden die een erfgenaam kende of behoorde te kennen. De ratio van deze beschermingsbepaling is dat als de erfgenaam op het moment van het aanvaarden van de nalatenschap op de hoogte zou zijn geweest van de inhoud van het testament, hij waarschijnlijk niet zuiver zou hebben aanvaard.
Met de woorden ‘kende en behoren te kennen’ wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:11 BW). De goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van aanvaarding van de nalatenschap. Er is dan ook geen sprake van een onverwachte schuld als de erfgenaam bijvoorbeeld van het bestaan van de schuld op de hoogte was, maar stelt verrast te zijn over de hoogte van de schuld. Een erfgenaam die weet heeft van het bestaan van een schuld zal naar de exacte omvang ervan navraag moeten doen bij de schuldeiser. Wordt een erfgenaam daarentegen verkeerd geïnformeerd door een schuldeiser over de omvang van een schuld en vordert de schuldeiser nadien een hoger bedrag, dan kan deze vordering worden aangemerkt als een nieuwe schuld. Bij de invulling van hetgeen een erfgenaam ‘behoorde te kennen’, gaat het erom wat hij redelijkerwijze had kunnen weten. In ieder geval wordt van een erfgenaam verwacht dat hij heeft onderzocht waaruit de nalatenschap bestaat. Op grond van de wet rust op hem de verplichting om de nalatenschap af te wikkelen. Onderdeel van de afwikkeling is het betalen van alle schulden. Om deze te kunnen betalen, zal hij moeten weten welke schulden er zijn. Hij zal hiertoe ten minste de administratie van de erflater moeten hebben geraadpleegd. Van schulden die doorgaans uit de administratie van de erflater blijken, zoals hypotheekschulden, debetsaldi van rekeningen-courant, onbetaalde facturen en belastingschulden, wordt in beginsel aangenomen dat een erfgenaam deze kende dan wel behoorde te kennen. Dit betekent niet dat als een schuld niet uit de administratie van de erflater blijkt, deze per definitie kan worden aangemerkt als een onverwachte schuld. De erfgenaam kan op andere wijze al van een schuld afweten, bijvoorbeeld doordat hij aanwezig was bij het aangaan van de schuld. In de situatie dat een erflater niet of nauwelijks een administratie voerde, rust op een erfgenaam de verplichting om nader onderzoek te doen naar de schulden van de erflater.
